© Pennenweb 2016/2017
PAPIER De oudste bekende “tekeningen” op wanden in grotten, onder meer in Altamira bij Santander in Noord-Spanje ontdekt in 1902 door een gelovige, zijn voor ons nog altijd complete raadselen. Ze zijn ‘ergens’ tussen 50.000 en 10.000 jaar voor Christus neergezet. Deze in holen en gaten ontdekte schrifturen, worden door sommigen gezien als laatste stuiptrekking van een hoogbeschaafde cultuur; anderen denken dat het gewoon tekeningen zijn van een minder indrukwekkende aard, van een of ander primitief volk. Het verhaal wil dat de genoemde hoge beschaving ooit in Atlantis is ontstaan en met de Zondvloed ten onder is gegaan. De betekenis van deze bijzondere tekeningen is voor ons ook nog altijd niet erg duidelijk. De jacht- en andere afbeeldingen van dieren zouden heel goed voor magische, culturele of religieuze doeleinden gebruikt kunnen zijn. De mensen krasten of tekenden ze op wanden in grotten in Frankrijk, Noorwegen en Spanje. Zelfs het ontstaan van de gebruikte technieken kan niet met zekerheid gedateerd worden. Gedacht wordt aan omstreeks 4.000 voor Christus. Maar gelet op de datering kan dat eigenlijk helemaal niet. Waarschijnlijk is dat deze manier van beschrijven bij de hoog beschaafde volkeren tot bloei kwam voordat zij het spijkerschrift ontwikkelden. Men gebruikte eerst stenen en later kleitabletten om een boodschap in het spijkerschrift over te brengen. Dat moet ergens tussen de rivieren Eufraat en Tigris geweest zijn. In het land wat we vandaag de dag Irak zouden noemen. In het toenmalige China gebruikte men voor dit doel toen ook al houten delen. Het gewicht van de akten die de keizer dagelijks te lezen kreeg was meer dan tachtig kilogram. U ziet we schieten door de geschiedenis en daarmee de tijd heen. Men onderschreef tevens de stelling dat “niets dunner en weker is dan water, maar dat alles wat hard is juist door water wordt aangetast; het zwakke dat het sterke overwint"… een echte Chinese waarheid. Maar dat terzijde. Ongeveer in dezelfde periode gebruikten de oude Grieken ook houten panelen die met fijn zand waren bestrooid en op die manier het beeld (geschriften of afbeeldingen) prijs gaven. Zo heeft naar verluidt ook de wiskundige en techneut Archimedes zijn formules vastgelegd toen de Romeinen in het jaar 212 zijn geboortestad bezetten. De Romeinen zelf gebruikten in het jaar 500 voor Christus al met was besprenkelde tafels (de beroemde twaalf tafels met wetten) om hun boodschap over te dragen. Dergelijke tafeltjes waren steeds en in ruime mate voorhanden als de senaat vergaderde. Bij deze techniek werd met een griffel of metalen voorwerp een tekst of afbeelding in de voorbewerkte tafels gekrast. Deze techniek zou zeker een grote vlucht genomen hebben als er niet een andere en beter beschrijfbare stof was ontdekt: papyrus. Maar daarover later. Eerst moeten we het hebben over Perkament: gemaakt van gedroogde huiden van vooral jonge schapen en geiten. Uit bronnen blijkt dat in circa 300 voor Christus in de Klein-Aziatische (nu Turkse) stad Pergamon sprake was van een behoorlijke productie. In Alexandrië (aan de andere kant van de Middellandse Zee) werd in 202 voor Christus zelfs een bibliotheek ingericht met louter perkamentrollen. Het bleek ideaal voor het bewaren van geschreven teksten en zou tot lang na de uitvinding van de boekdrukkunst het meest populaire ‘medium’ blijven. Papyrus werd grofweg tussen 3.000 voor Christus en 1.000 na Christus gebruikt en geldt nog altijd als een der paradepaardjes van met name Egypte, waar, aan de Nijl, de bakermat van dit materiaal ligt. De farao’s hebben deze plant, die veel water verdraagt en in zich heeft, bewust aangeplant voor dit doel. Het bovenste deel gold als lekkernij en de soms wel een arm dikke stam werd voor verschillende doelen gebruikt. Er werden zo onder meer complete schepen van gebouwd, maar het was dus ook de drager voor boodschappen, wat we vandaag de dag papier zouden noemen. De papyrus werd dun en gelijkmatig in repen gesneden die kruislings over elkaar werden gelegd. Daarna volgde een hamersessie, waarbij de vezels geplet werden, om het eindresultaat vervolgens in de ruim aanwezige zon te laten drogen. Het kleverige sap uit de plant zelf hield de stroken bijeen. Men bewaarde de gedroogde papyrus in rollen; ook vandaag is dat nog gebruikelijk. Maar er is nu wel een alternatief: papier. Dit wordt ongeveer sinds het jaar 105 na Christus gemaakt en in ons land alleen nog met de hand in het Openluchtmuseum en op De Middelste Molen in Loenen, waar men werkt met een stoommachine en waterkracht uit wellen met zuiver water uit de diepte van het Veluwse land. Het ontstaan van papier echter wordt toegeschreven aan een plek ver van ons bed: China, al gebruikte men voor het eerste papier vooral een mix van water met gestampte bessenvezels, fijngewreven bast van de moerbeiboom en uitgeplozen touw. Het hieruit ontstane breitje brachten de oude Chinezen aan op een zeef. Schudden zorgde ervoor dat een en ander goed door elkaar raakte en het waterige deel van de brei onder uit de zeef liep. Daarna werd het blad voorzichtig afgenomen en te drogen gelegd, ongeveer zoals dat nu nog gaat met handgeschept papier. Papier maakte relatief snel een zegetocht over het continent. Eerst werden het thuisland, Korea en Japan aangedaan. En toen de expansieve Arabieren ontdekten dat onder de door hen buitgemaakte krijgsgevangenen ook papiermakers waren, was de opmars van het papier niet meer te stuiten. De Arabieren lieten het werk van verscheidene grote schrijvers op de Chinese vinding zetten en richtten diverse bibliotheken in. De kalief van Cairo bezat op een goed moment 150.000 boeken op papier. Dat was aan het eind van het jaar 1.000. De meeste West-Europese kloosters hadden op dat moment op zijn best 150 perkamentrollen… Eigenlijk is het aan het toen nieuwe en oprukkende mohammedaanse geloof te danken dat het uiteindelijk ook bij ons is beland. Deels via het zuiden van Spanje (in de elfde eeuw in Játiva) en deels ook via het huidige Italië (in 176 in Fabriano) werd de vinding verder verspreid over ons continent. Maar het zou tot in de zestiende eeuw duren voordat het ook in onze contreien werd geproduceerd. Bijzonder is wel dat de moderne papierproductie eigenlijk nog steeds op deze wijze plaats heeft: een mengsel van pulp en water wordt op een of tussen twee rondlopende eindloze zeven gebracht, gedroogd en op rollen aangebracht en gesneden tot kleinere rollen of vellen. Er zijn vandaag de dag machines, die per uur een productie halen die gelijk is aan de snelheid die is toegestaan op de autosnelweg. En dat op een breedte van soms tien meter of meer. Dat laatste kan je zien als bewijs van het feit dat de papierindustrie uitgegroeid is tot een echte hightech procesindustrie. Met een stuk minder ‘romantiek’, maar des te meer eigentijdse ‘uitdagingen’. Zo is het een energie-intensieve bedrijfstak met als belangrijkste grondstof: hout. Daarmee zitten we meteen in de actualiteit. Er is namelijk een toenemende vraag naar hout als biobrandstof. Dat, en Russische exportheffingen, leidt tot extra kosten op de houtinkoop. Energie-intensief betekent ook; gevoelig voor hogere olieprijzen. Want dat leidt tot stijgende energie- en chemicaliënprijzen (chemie bepaalt  deels de print- en drukeigenschappen van papier). En oud papier (bij ons nog steeds een belangrijke grondstof voor krantenpapier) wordt duurder door groeiende vraag uit China (waar ze er verpakkingen van maken). Op dit moment verschuift het zwaartepunt van de industrie van Europa en Noord-Amerika naar Azië (opnieuw China) en Latijns-Amerika (vanwege de snelgroeiende aantrekkelijk geprijsde eucalyptusbomen). Maar er is ook goed nieuws: de ‘carbon footprint’ is heel goed ten opzichte van andere industrieën: inmiddels wordt circa 60 procent biobrandstoffen (hout- en houtafval) gebruikt voor eigen energieopwekking.